Door Rob Buiter

Het team vanaf de rubberboot op zoek naar walvissen. Foto: Rob Buiter.

Na lange tijd op het eiland Pico te hebben gewerkt, zitten Visser en Oudejans sinds 2012 ieder voorjaar en zomer enige tijd op het eiland Terceira. Ze bestuderen daar verschillende soorten walvissen en dolfijnen, vanaf land en vanuit een kleine rubberboot. Normaal speelt het leven van deze dieren zich natuurlijk voor het grootste deel onzichtbaar, onderwater af, maar sinds enkele jaren hebben de biologen een prachtige manier om ook dat onzichtbare deel van een dolfijnenleven te bekijken: met een zender.

Drie kilometer diepe duik

De eerste exemplaren van deze zendertjes werden rond de eeuwwisseling ontwikkeld volgens een even eenvoudig als effectief principe: een waterdichte zender ter grootte van een forse mobiele telefoon wordt voorzien van vier zuignappen. Wanneer die zender – na zorgvuldige ontsmetting – aan een houdertje wordt geklikt aan het uiteinde van een acht meter lange hengel, is het alleen maar een kwestie van dicht genoeg bij een walvis of een dolfijn komen, om het kastje zo – plop – op de huid van het dier te tikken. Het zendertje blijft daar zitten tot het betreffende dier hem zelf afschudt, of tot een klein stroomdraadje op een vooraf bepaald tijdstip een slangetje doorsnijdt, waarna het vacuüm op de zuignapjes wordt opgeheven en de zender loslaat. Het apparaatje drijft vervolgens naar het oppervlak, waar hij met behulp van een mini-radiobaken weer gevonden kan worden door de onderzoekers.

Met behulp van deze zenders ontdekten de biologen dat bijvoorbeeld Risso’s dolfijnen ’s nachts op een specifieke diepte rond de tweehonderd meter hun voedsel zoeken. Van een andere dolfijnensoort, Cuvier’s spitssnuitdolfijn, ontdekten ze dat die extreem diep kunnen duiken: tot wel drie kilometer diep.

4.000.000.000.000.000 visjes

Tijdens de NWO-expeditie Netherlands Initiative Changing Oceans, keek Visser vanaf het onderzoeksschip RV Pelagia wat er ’s nachts op die – voor dolfijnen zo interessante – diepte van tweehonderd meter te beleven valt. "Met een gevoelige sonar kun je zien dat overdag op vijfhonderd meter diepte een dichte laag van voedseldiertjes zit. ’s Nachts stijgt die laag op naar tweehonderd meter. Door op die dieptes te vissen zagen we dat er heel veel kleine visjes in die voedsellaag zitten. Daar komen vervolgens inktvissen op af, waar vervolgens de dolfijnen van leven."

Eén van de soorten die in de diepe voedsellaag werd gevonden is de borstelmondvis, een ‘onooglijk’ beestje van een paar centimeter lang. Met een - bijzonder grof geschat – aantal van 4 biljard individuen (een 4 met 15 nullen!) is dat waarschijnlijk het meest talrijke gewervelde dier op aarde. "Maar ik had hem nog nooit gezien", lacht Visser, "tot deze expeditie met de Pelagia."

De reportage op het onderzoeksschip Pelagia was een onderdeel van de expeditie Netherlands Initiative Changing Oceans. Eerdere reportages vanaf het schip zijn hier terug te vinden.

Dit stuk werd eerder geplaatst op de website van Vroege Vogels.