Door Gemma Venhuizen

Pas nu we dichterbij komen zie ik hoe groot de Pelagia is. Hoe hoog de golven zijn, en hoe wankel de touwladder oogt waarmee ik aan boord moet klimmen. Ik sta op de rand van een motorbootje van de Saba Conservation Foundation, een van de rangers houdt mijn hand vast en vraagt of ik kan zwemmen. Ik denk dat hij een grapje maakt, maar hij vraagt het nogmaals, strenger nu, „want de kans is groot dat je in het water valt”.

Ik wil niet denken aan vallen, of aan de haaien die hier rond de Sababank zwemmen. En dus probeer ik het juiste moment in te schatten om van bootje naar boot over te stappen, het ritme van de golven te bepalen. Tevergeefs. Het ene moment is de afstand tussen het kleine en grote schip meerdere meters, dan weer enkele millimeters.

Op goed geluk waag ik de overstap. Mijn linkervoet op de onderste sport van de touwladder, mijn rechter even in het luchtledige, maar dan sta ik. Terwijl ik naar boven klim spoelt er een grote golf over me heen, druipend arriveer ik op het dek. Ik ben er.

Twee zeelieden hijsen de rest van mijn bagage omhoog – een backpack, een bevroren roodsnavelkeerkringvogel, flesjes vissenschubben – en expeditieleider Gerard Duineveld brengt me naar mijn hut. „Het beste is om meteen je bed op te maken. Over een half uur ben je daar te zeeziek voor.” Welkom aan boord van RV Pelagia...

Lees verder op nrc.nl...