Tijdens de vierde etappe van de NICO-expeditie zijn de hydrografische en fysische achtergronden van de eddies op vijftien verschillende meetpunten onderzocht. Daartussen hebben vogel- en zeezoogdieronderzoekers van Wageningen Marine Research gekeken of dieren misschien ook gebruikmaken van deze wervels. Is het voorkomen van zeezoogdieren en zeevogels binnen, buiten of aan de randen van een eddy hoger of juist minder dan op andere plaatsen? Een van de gedachten daarbij is dat de eddies in een gebied met een geringe primaire productie - zoals de Caribische Zee! - een bron kunnen zijn van nutriënten en voedsel voor top-predatoren.

Onderzoek voor inrichting marine reservaat
Onderzoek naar zeevogels en zeezoogdieren draagt bij aan lopend onderzoek van Wageningen Marine Research op de Antillen en de inrichting van een reservaat voor walvissen en haaien in de buurt van de bovenwindse en benedenwindse eilanden (Yarari I en II). De vaarroute van deze etappe ging dwars door de Caribische Zee van Aruba naar de Dominicaanse Republiek en van daar richting het oosten naar Sint Maarten. Het eerste deel staat bekend als minder rijk aan bultruggen.

Weinig vogels en veel vliegende vissen
De vogels en zeezoogdieren zijn tijdens deze tocht geteld vanaf het zogeheten ‘Monkey Island’, een observatiepost bovenop de brug van de RV Pelagia. Mardik Leopold, Steve Geelhoed en Meike Scheidat hebben tijdens het varen tussen de 16 stations soorten en aantallen vogels en zeezoogdieren vastgelegd middels de zogenoemde ‘transsect tellingen’. Omdat de dichtheden van zowel vogels als zeezoogdieren, zacht gezegd, vrij gering waren, was er ook meer dan voldoende tijd om vliegende vissen te tellen; waarschijnlijk een zeer belangrijke voedselbron voor onder meer de zeevogels.

Foto: Rob Buiter

Meten op grote diepte
Om de eddies te onderzoeken heeft het team van NIOZ en TU Delft op een aantal stations metingen met een CTD uitgevoerd. In een metalen frame worden daarbij meetapparatuur en monsterflessen naar grote diepte gebracht, waarmee in de hele kolom temperatuur, geleidbaarheid (zoutgehalte) en diepte worden gemeten. Daarnaast meet de CTD ook chlorophyl.

Akoestisch onderzoek
In de tijd dat de CTD naar de bodem en terug werd gebracht, lag het schip noodgedwongen stil. In die tijd kon akoestisch onderzoek worden gedaan. Daarvoor heeft Dik de Haan van Wageningen Marine Research op vijf verschillende meetstations een boei uitgezet met op honderd meter daaronder een kleine akoestische recorder, de zogenaamde SoundTrap. Drijvend onder de boei registreert de SoundTrap geluiden, waaronder ook eventuele vocalisaties van walvissen en dolfijnen. Om de recorder na het CTD-werk weer terug te kunnen vinden, was de boei voorzien van een radiobaken en een GPS-ontvanger.

De boei met SoundTrap wordt uitgezet

Bultruggen en potvis op geluidsopnamen
Afhankelijk van de diepte van de verschillende CTD-stations, en daarmee afhankelijk van de duur van het werk ter plaatse, is de opnameperiode twee tot vijf uur actief geweest. Hoewel wind, golven en de scheepsschroef de nodige achtergrondruis veroorzaakten, heeft de recorder ook enkele geluiden opgevangen die wijzen op de aanwezigheid van zowel bultruggen als potvissen in het gebied. Om te kijken of er nog meer soorten te horen zijn, zullen de opnames nog verder gefilterd moeten worden.

Ondanks de logische tekortkomingen van een recorder die slechts een korte tijd ronddrijft op een diepte van honderd meter binnen enkele kilometers van een schip met draaiende motor, heeft deze methode wel bewezen de aanwezigheid van zeezoogdieren aan te kunnen tonen. 

Femke de Jong - Chief scientist NICO leg 4

De SoundTrap wordt losgekoppeld