Terwijl de meeste wetenschappers op het schip bezig zijn met voorbereiding voor het volgende station, staan Bram en Jaap van zonsopkomst tot zonsondergang op de uitkijk. Onderzoekers weten nooit precies hoeveel dieren er van een diersoort leven, maar door het aantal dieren op een bepaald oppervlak in een leefgebied te tellen, kunnen ze aan de hand van speciale rekenmodellen een aardige schatting maken.

De laatste dagen zien we geregeld Atlantische gevlekte dolfijnen. Een bekende soort in deze regio, want deze elegante dieren houden van tropische wateren. Terwijl andere wetenschappers verblind worden door de schoonheid van deze zoogdieren en hun verschijning vastleggen, houden Jaap en Bram hun koppie erbij, want naast het telwerk schrijven ze ook zorgvuldig alle uiterlijke en gedragskenmerken op. Belangrijke informatie die straks keurig in een grote databank voor marien biologen wordt opgeslagen.

60 kilometer per uur
Vliegende vissen zien we ook veel. Op de vlucht voor roofvissen zien we deze prachtige dieren af en toe korte momenten boven water zweven. Met dat vluchtgedrag bereiken ze soms zelfs snelheden van 60 kilometer per uur. Dat ze met deze snelheden ook hoog kunnen vliegen werd ons droevig duidelijk toen we er vanochtend één op het dek vonden. Een vlucht de verkeerde kant op...
Jaap en Bram ontfermden zich over het dier dat helaas al dood bleek te zijn en zo werd hij een interessant project voor de marien biologen om later in het lab te onderzoeken. Door de maaginhoud van de vis te bestuderen weten we waarvan hij geleefd heeft en dat vertelt ons ook iets meer over zijn leefgebied.

 

Inmiddels zitten we ongeveer ter hoogte van Senegal en maken we ons op voor de oversteek richting de Caraïbische Zee. We zien de laatste tijd minder zeevogels, logisch want er is hier ook minder voedsel voor ze te vinden. We zetten koers richting de grote open oceaan waar niet de grote, maar de allerkleinste dieren op ons wachten.

Sofie Bosmans
VU masterstudent Earth Surface Processes, Climate and Records